Amsterdam Westelijke Tuinsteden

De Westelijke Tuinsteden zijn vormgegeven volgens de principes van de wijkgedachte en de tuinstad, bekend geworden via de CIAM- congressen in de jaren dertig en vijftig van de twintigste eeuw. Het AUP ging uit van een lobbenvormige uitbreiding van Amsterdam, op basis van functiescheiding en een open verkavelingsstructuur. Tussen de bebouwingsvlakken liggen groene scheggen. Het groen is hiërarchisch opgebouwd, doorlopend van landschap, Sloterpark, parkstrook, groenstrook, hof, eindigend bij de privé-tuin.  

De buurten zijn zo opgebouwd dat ze ieder hun eigen voorzieningen (winkels, scholen, kerken, gezondheidszorg, sport en recreatie) hadden en daarnaast een goede verbinding met de binnenstad via fietsroutes, autowegen en openbaar vervoer. De buurten zijn herkenbaar aan hun eigen verkavelingspatroon. Aan deze verscheidenheid is de zoektocht van de afdeling Stadsontwikkeling naar een goede ruimtewerking en variatie van de open bebouwing af te lezen. De in de oorlog ontwikkelde open hofvorm is veelvuldig toegepast: twee gespiegelde haken, zowel in laag- als in middelhoogbouw. Afhankelijk van het stratenbeloop en de bezonning zijn het haakse of niet-haakse hoeken.  

Naast de architectonische en stedenbouwkundige vormgeving spelen ook de sociaal-maatschappelijke en culturele context een rol. Door de opbouw van de buurten en wijken wilde men een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het individu, het gezin en de verschillende gemeenschappen. De oude, chaotische stad met slechte woningen maakte plaats voor licht, lucht en ruimte, voor een gezonder individu en een op ontplooiing gerichte gemeenschap. In de Westelijke Tuinsteden is het gedachtegoed van CIAM voor het eerst in Nederland op grote schaal toegepast. Hierbij zijn vernieuwende stedenbouwkundige en architectonische principes gehanteerd, die braken met de traditionele stedenbouw gebaseerd op het gesloten bouwblok met doorlopende straatwanden.