De stad heeft altijd vernieuwing nodig

Hijskranen domineren de Nederlandse skyline. Er moeten honderdduizenden woningen bij en het liefst snel. De opgave is om een aanzienlijk deel van deze woningen binnenstedelijk te realiseren, met behoud of versterking van de diversiteit aan functies en bewoners. Wat kunnen we leren van succesvolle stadsvernieuwingsprojecten uit de jaren zeventig en tachtig?

Momenteel zijn binnensteden geliefde woongebieden, maar dat is niet altijd zo geweest. Na de Tweede Wereldoorlog kenden veel Nederlandse steden een verpauperde en verloederde binnenstad. Het waren de hoogtijdagen voor cityvorming, de omvorming van de historisch-geografisch gegroeide binnenstad naar een nieuw ingericht, economisch-functioneel stadscentrum met veel ruimte voor de auto. Wonen werd ondergeschikt. Kapitaalkrachtige bewoners die niet in de binnenstad werkten, vertrokken naar uitbreidingswijken.

De slag om de binnenstad

Door wet- en regelgeving en een gebrek aan financiële mogelijkheden, ontbrak het gemeenten aan slagkracht om de verloederde binnensteden en arbeiderswijken zelf aan te pakken. Gemeentebesturen zochten daarom samenwerking met projectontwikkelaars en investeerders en verleenden in eerste instantie alle medewerking aan de soms vergaande plannen van de ontwikkelaars.

Eind jaren zestig stuitte deze aanpak op weerstand. Nieuwe inzichten op het gebied van volkshuisvesting, andere opvattingen over de herontwikkeling van historische gebieden, bewoners die zich verzetten tegen sloop, en een progressievere politieke constellatie resulteerden in een tegenbeweging. Voeg daar nog Jan Schaefer aan toe als de nieuwe staatssecretaris stadsvernieuwing, plus het beschikbaar komen van financiële middelen, en een nieuwe aanpak voor de binnensteden was geboren.

Kentering

Ruimtelijke, volkshuisvestelijke, sociale en culturele opgaven werden aan elkaar gekoppeld. Cultuurhistorie speelde voor het eerst een maatschappelijke rol, met behoud van erfgoed als middel of instrument voor de verbetering van de fysiek en sociale stedelijke structuur. Een belangrijke rol was bovendien weggelegd voor jonge, activistische architecten. Zij propageerden een herwaardering voor kleinschaligheid en stelden in overleg met bewoners alternatieve plannen op voor die van projectontwikkelaars.

Zo waren het in Zwolle de architecten Aldo van Eyck en Theo Bosch die in 1971 een vernieuwend woningbouwplan indienden voor een deel van de binnenstad waar de bestaande woningen al grotendeels gesloopt waren voor een autoweg met kantoren. De nog bestaande woningen werden door Van Eyck en Bosch behouden en ingepast in het planontwerp, de maat en schaal van de nieuwe bebouwing waren in overeenstemming met de omliggende woningen en de verdwenen, smalle straten werden grotendeels teruggebracht. Op basis van deze kwaliteiten werd het plan opgenomen in het Programma Experimentele Woningbouw.

Een stad waar de kentering zich ook nadrukkelijk voltrok, was Leiden. In de jaren zestig was de stad sterk verarmd: omvangrijke werkloosheid, een grote hoeveelheid krotten, verwaarloosde openbare ruimte en een niet toereikende gemeentelijke begroting. De voorgenomen cityvorming stokte. Het omslagpunt kwam in 1973, toen werd besloten tot het terugbrengen van een fijnmazige stadsstructuur en de herbouw van woningen – in plaats van kantoren – op de kaalgeslagen terreinen langs de Oranjegracht.

Stadsvernieuwing in Zwolle volgens het plan van Aldo van Eyck. Fotografie: Ruben Ferwerda

Plekken van betekenis

De stadsvernieuwingsprojecten uit de jaren zeventig en tachtig zijn nog steeds grotendeels succesvol. Ze kennen goed onderhouden woningen, een nauwgezette inpassing in de historische structuur, hersteld cultureel erfgoed en een zorgvuldig vormgegeven publieke ruimte. Hoewel de (economische) druk om snel te bouwen destijds minder groot was dan nu, zijn er toch waardevolle lessen te trekken voor de opgave van vandaag.

De stadsvernieuwingsplannen waren allereerst gebaseerd op een degelijke historisch-ruimtelijke analyse van de bestaande stad. Op basis van de aanwezige – of soms al verdwenen – kwaliteiten werden de mogelijkheden van vernieuwing onderzocht en op basis daarvan een bouwprogramma opgesteld. Hierbij keek men ook naar de duurzaamheid: welke gebouwen, functies, verbindingen en plekken overleefden of ontwikkelden zich door de tijden heen en waren van generatie op generatie van betekenis geweest?

In de stadsvernieuwingsgebieden was er veel aandacht voor de verdeling tussen publieke en private ruimten. In de binnensteden werd gekozen voor compact bouwen om aan te sluiten bij het bestaande weefsel. Om prettige verblijfsruimten te creëren is een goede inrichting van de openbare ruimte van groot belang: goede parkeeroplossingen, zorgvuldige inrichting van straten en groenaanleg, functiemenging die zorgt voor uitbreiding van de publieke ruimte en de aanleg van semi-openbare ruimte voor blok- of buurtbewoners.

Integrale planning

Tot slot vergt bouwen in de bestaande stad een integrale en daarmee complexe aanpak. Dit vraagt om een stevige regie van de gemeente. Tijdens de stadsvernieuwing waren de portefeuilles op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling veelal bij één wethouder belegd. De kracht van de integrale en interdisciplinaire planning, financiering en uitvoering werd gecombineerd met een daadkrachtige projectorganisatie met een soms vergaand mandaat. Deze projectorganisaties hingen niet onder de gemeentelijke diensten, maar stonden ernaast en waren op sommige momenten van het proces zelfs leidend.