Erfgoedwet

De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 van kracht gegaan.

In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe we rijksmonumenten aanwijzen, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Belangrijke wijzigingen

Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, maar er is ook een aantal wijzigingen.

  • Aanwijzing rijksmonumenten. De aanwijzingsprocedure uit de Monumentenwet 1988 wordt vervangen door een eenvoudigere uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals bekend uit de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent onder andere dat de beslistermijn van tien naar zes maanden gaat.
  • Monumentenregister. Het register bevat alleen gegevens over de inschrijving en identificatie van de rijksmonumenten. Het monumentenregister is niet bedoeld voor een uitvoerige beschrijving of onderbouwing van de bescherming.
  • Certificeringsstelsel in de archeologie. Het vergunningstelsel voor het verrichten van archeologische opgravingen (zowel op land als onder water) is per 1 juli 2016 vervangen door een certificeringsstelstel. Lees meer hierover op Archeologieinnl.nl.
  • Betere bescherming maritiem erfgoed. In de Erfgoedwet is expliciet aangegeven dat het verwerven van cultureel erfgoed onder water, zonder de bodem te verstoren een opgraving is en dat daarvoor een certificaat verplicht is.

Erfgoedwet en Omgevingswet

De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de Omgevingswet is:

  • De duiding van erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet (het ‘wat’).
  • De omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet (het ‘hoe’).

Voor het gebouwde erfgoed betekent dit dat de aanwijzing van rijksmonumenten gebeurt op grond van de Erfgoedwet, maar de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. De aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten geschiedt straks op grond van de Omgevingswet. De wetgeving over archeologie wordt opgesplitst. De verdeling is grofweg: het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet en de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (de vergunningverlening) in de Omgevingswet.

Van Monumentenwet 1988 naar de Erfgoedwet en Omgevingswet

Overgangsrecht

Sommige onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaan in 2019 over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om artikelen die betrekking hebben op beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologische monumentenzorg en handhaving. Ook enkele andere zaken die uiteindelijk in de Omgevingswet worden geregeld, vinden tijdelijk een onderkomen in de Erfgoedwet. Belangrijke onderwerpen van het overgangsrecht zijn:

  • Instandhoudingsplicht: met de invoering van de Omgevingswet wordt wettelijk verankerd dat monumenteigenaren de plicht hebben om hun monument in stand te houden. Tot de Omgevingswet wordt ingevoerd, is de instandhoudingsplicht verankerd in het overgangsrecht van de Erfgoedwet.
  • De bepalingen over archeologische monumentenzorg. Het gaat onder meer om:
    • het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;
    • de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;
    • de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;
    • de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.