Hengelo

Het landelijke, boerendorp Hengelo groeide aan het begin van de twintigste eeuw uit tot een industriestadje van regionale betekenis door de vestiging van de textielindustrie en machinefabrieken en de ligging aan twee spoorlijnen. Deze forse groei zorgde voor een onevenwichtig uitbreiding, zonder heldere ruimtelijke structuur. Het grootste probleem was de tweedeling van de stad door een spoorlijn die het noordelijk centrum scheidde van het zuidelijke deel met fabrieken en arbeiderswijken. Op 6 oktober 1944 bombardeerden geallieerde vliegtuigen per ongeluk het centrum van Hengelo, noordelijk van het stationsgebied en de fabrieken van onder andere Stork en Hollands Signaal aan de zuidzijde.

Het wederopbouwplan moest meer zijn dan een reparatie van oorlogsschade: de verwoestingen zijn aangegrepen om van Hengelo een stedelijke uitstraling te geven. Bovendien viel door de dekolonisatie de Oost- Indische markt voor de Hengelose katoen- en machineproductie weg en was een nieuwe economische basis nodig. Door verbreding van de hoofdstraten en de aanleg van nieuwe parallelstraten kwam een rechthoekig stratenplan tot stand, waarin alleen de routes van het station naar de markt en de Enschedesestraat schuin lopen. Een stelsel van pleinen werd in dit grid van de straatwanden tussen de gesloten bouwblokken als het ware uitgehakt, verdeeld naar het moderne stedenbouwkundige principe van functiespreiding: het bestuursplein met een nieuw en opvallend raadhuis, het stationsplein als belangrijk verkeersknooppunt met diverse kantoren, de Markt met het winkelgebied en een verbreding van de Enschedesestraat als voorplein van de Sint Lambertusbasiliek.