Kaart van het karakteristieke landschap

Het buitengebied van Nederland staat voor grote opgaven. Schaalvergroting in de landbouw, anders boeren vanwege klimaatverandering, demografische krimp met leegstand als gevolg, maar ook het landelijk gebied als zoekgebied voor bouwlocaties en duurzame energie zijn van invloed op de toekomst van het buitengebied. In talloze gemeenten worden deze veranderingen erkend als opgaven waarbij de cultuurhistorische waarden van het gebied behouden moeten blijven. Het landelijk gebied krijgt een passende plek in de omgevingsvisie en boeren kiezen toenemend voor een andere koers, bijvoorbeeld door kleinschaliger en met oog voor de natuur – natuurinclusief – te boeren.

Deze kaart geeft een overzicht van verschillende regio’s en de diverse ontginningstypen die gebruikt zijn en worden. Daarmee biedt de kaart houvast voor het in beeld brengen van de karakteristieken, de oorsprong en de ontwikkelingen in de loop der tijd. Zo kunnen hedendaagse opgaven aangepakt worden vanuit de oorsprong van het landschap.

Panorama Landschap

Gemeenten die koers van de toekomst van hun buitengebied bepalen, doen er goed aan eerst de eigen regio op te zoeken in Panorama Landschap. Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese van het landschap. Door kennis te nemen van deze verhalen, ontstaat verbinding met het landschap. Verhalen met detailinformatie over de landschapsgeschiedenis maken waardevolle elementen in het landschap zichtbaar.

Ontginningstypen

Met systematische ontginningen ontstonden vanaf de middeleeuwen herkenbare patronen in het landschap, in eerste instantie met smalle akkers en kavels. En door het droogmalen van meren en binnenzeeën door de eeuwen heen – denk aan de Beemster en de Flevopolder – ontstond nieuw land, met een strakke, rechtlijnige kavelstructuur. De ruilverkaveling van de afgelopen eeuw, tot slot, maakten van het platteland een rationeel ingericht landschap.

De kaartlaag ‘alle ontginningstypen’ geeft beeld van de diverse soorten ontginningen die we in het landschap terugvinden, van veenontginningen tot droogmakerijen. De legenda onderaan verklaart de ontginningstypen. Door onder ‘ontginningstypen’ ook te kiezen voor een specifiek thema, kan inzicht gekregen worden in historische elementen van de diverse ontginningstypes.

Essen

In de volle middeleeuwen ontstonden de klassieke essen: kleine, vierkante of rechthoekige akkers op hooggelegen zandgronden. Ze worden omgeven door een wildwal om wild en verstuiving tegen te houden. Waarschijnlijk zijn deze essen ontgonnen vanuit de bosrijke omgeving nabij het esdorp. De landarbeiders die werkzaam waren in het bos, vestigden zich permanent in de dorpen, waardoor akkers noodzakelijk werden. Kijkend naar de grond, vinden we vaak sporen terug van loofbosbegroeiing.

Essen komen voor in Drenthe, Noord-Brabant, Limburg en onder de naam enk ook in het Gooi, Twente, Salland, de Veluwe en de Achterhoek. In deze gebieden verdient het dan ook aanbeveling om naar de es-structuren te kijken voor de (door)ontwikkeling van het gebied. De opdeling van de essen in kleinere percelen, gebruik makend van houtwallen, zijn karakteristiek voor deze omgeving. Natuur en landbouw in essenlandschappen zijn van oudsher nauw met elkaar verweven. Boerenbedrijven waren en zijn er een belangrijke drager van het landschap.

Droogmakerijen

In het westen van Nederland en in delen van Friesland vinden we de typisch Nederlandse droogmakerijen. De eerste droogmakerij was het kleine Achtermeer van Alkmaar. In 1533 viel dit droog en een nieuwe manier van landaanwinning was een feit. Lange tijd was de belangrijkste reden voor het droogmaken van meren en plassen het tekort aan landbouwgrond, zeker in het westen van Nederland. Steeds meer van die polders zijn inmiddels gebruikt voor stadsuitbreiding.

Ingezoomd geeft de kaart overzicht van de droogmakerijen, samen met gemalen en molens die nu nog in het landschap te vinden zijn. Deze maken deel uit van het watersysteem dat nodig is om het land te kunnen bewerken. Wie voor een landelijke opgave staat en wil weten hoe de watersystemen hierin meegenomen kunnen worden, kunnen deze kaart leggen naast de kaart met waterberging als opgave.  

Veenontginningen voor agrarisch gebruik

De themakaart ‘Veenontginningen in agrarisch gebruik’ biedt een overzicht van veenontginningsgebieden in Nederland aan de hand van de nog zichtbare kenmerken van de historische verkavelingsstructuur. Deze verkavelingsstructuur wordt zichtbaar wanneer de kaartlaag aan staat.

Bij de inventarisatie is onderscheid gemaakt in de hoofdstructuur (de door kades omsloten verkavelingsblokken) en de detailstructuur (de losse kavels binnen de blokken). In combinatie met de kaartlaag ‘alle ontginningstypen’ is goed zichtbaar dat praktisch alle veenontginningen ingezet zijn voor agrarisch gebruik.

Huidig landgebruik

Wie een goed beeld van het landgebruik vandaag de dag wil, kan ‘huidig landgebruik’ aanvinken. Door vervolgens voor verschillende ontginningstypen te kiezen, wordt inzichtelijk hoe het land in het verleden ontgonnen is. Bij het opstellen van visies (natuurvisies, omgevingsvisies, etc.) is het in beeld hebben van historisch en huidig gebruik richtinggevend. Door 20e-eeuwse landinrichtingsprojecten zichtbaar te maken, wordt duidelijk waar er bijvoorbeeld extra landbouwgrond is gekomen.

Gewaspercelen en bodemgebruik

BRP Gewaspercelen bestaat uit de locatie van landbouwpercelen met daaraan gekoppeld het gebruik als landbouwperceel of veeteeltperceel. Het bestand is een selectie van informatie uit de Basisregistratie Percelen (BRP) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Gecombineerd met het bodemgebruik, wordt de volledige geometrie van het landschap zichtbaar. Zo zijn gebruik voor bijvoorbeeld wegen, recreatie en glastuinbouw terug te vinden op de kaart. Het is nuttig deze kaartlagen te gebruiken voor bijvoorbeeld het opstellen van omgevingsvisies.

Veranderingen tussen 1850 en 2000

Deze kaartlaag toont de mate waarin het landschap is gewijzigd tussen 1850 en 2000, aan de hand van topografische kaarten uit 1850 en 2000. Wanneer er geen gegevens uit 1850 beschikbaar zijn, wordt het gebied grijs aangegeven. Dat betekent dat het gebied ná dat jaartal is ingericht.

20e eeuwse landinrichtingsprojecten

Door ruilverkaveling veranderde de indeling van het land. Er kunnen bijvoorbeeld grotere kavels ontstaan. Zo worden sloten en andere afscheidingen tussen kavels verlegd en er worden nieuwe en grotere wegen en waterwegen aangelegd. Overheden hebben lange tijd ruilverkavelingen gestimuleerd om de voedselproductie te vergroten en te rationaliseren. De kaartlaag 20e eeuwse landinrichtingsprojecten laat zien waar afgeronde verkavelingsprojecten in het landschap te vinden zijn, vanaf de eerste ruilverkavelingswet uit 1924.

Meer informatie

Deze kaart is ontwikkeld vanuit het perspectief van de opgaven in het landelijk gebied. Hij is bedoeld voor iedereen die vanuit een ruimtelijke opgave invloed heeft op het landelijk gebied, bijvoorbeeld boeren, gemeenten, waterschappen, overheden en ontwikkelaars. Voor meer informatie over landschapskenmerken kunt u verder lezen op Landschap in Nederland. Hier zijn alle agrarische ontwikkelingen in beeld gebracht.