Het platteland verandert sneller dan de stad

Schaalvergroting, leegstand, verrommeling, botsende natuurbelangen en oprukkende verstedelijking – dit is slechts een greep uit de opgaven waarmee het landelijk gebied te maken heeft. Daarnaast wordt het buitengebied gezien als vindplaats voor oplossingen voor de energietransitie, klimaatadaptatie en circulariteit. Wat betekent dit alles voor de toekomst van het Nederlandse buitengebied? Een gesprek tussen Dirk Strijker, hoogleraar Plattelandsontwikkeling aan de RUG, en Rob Denissen, een innovatieve melkveehouder uit het Brabantse Heukelom.

Een zestigtal nieuwsgierige koeien, een melktap en enkele kinderen die door opa Jeff worden rondgeleid, vormen het decor van dit gesprek: de Piet van Meintjeshoeve. Dit is de boerderij van Rob Denissen waar de circulaire economie centraal staat. Met oer-Brabantse waarden als vertrekpunt, en door slimme inzet van moderne technieken, voegt deze boerderij een nieuwe betekenis toe aan de directe omgeving. De boerderij is nu een plek waar je ook kunt ontmoeten, ontspannen, leren en werken. Met dit praktijkvoorbeeld als achtergrond discussiëren Dirk Strijker en Rob Denissen over de thematiek waarmee het buitengebied te maken heeft en tasten ze af hoe de toekomst van het platteland richting krijgt.

Nederland heeft geen platteland

‘Nederland heeft een heel bijzonder platteland’, begint Dirk Strijker. ‘Het is een sterk verstedelijkt platteland, dat zeker plattelandskenmerken heeft, maar nooit verder dan een half uur rijden af ligt van een grotere plaats met alle voorzieningen en werkgelegenheid. Volgens de Europese definitie heeft Nederland dan ook helemaal geen platteland.’

Hoewel de landbouw nog steeds de grootste grondgebruiker is van het landelijk gebied, bepalen boeren steeds minder de koers van het platteland. Alles wat veel ruimte nodig heeft, zoekt een plek in het buitengebied. Daarmee is de druk op het platteland ongekend groot. ‘De samenleving kijkt steeds aandachtiger naar het platteland’, illustreert Strijker. ‘Mensen hebben een mening over hoe boeren hun bedrijf voeren, welke voedselproducten ze voortbrengen, hoe het landschap eruit ziet en wat je er kunt doen. Onder invloed van deze maatschappelijke ontwikkelingen is het platteland steeds minder een productieruimte en steeds meer een consumptieruimte geworden. We wonen er, we recreëren er, we genieten ervan, we vinden er wat van. Er zijn momenteel meer burgers dan boeren op het platteland.’

Kneden aan het landschap

‘Het Nederlandse buitengebied kent regionale verschillen. De druk op het landelijk gebied, om er fysieke ingrepen te plaatsen, is hoger rond de grote steden. Hierdoor staat het buitengebied in Brabant onder hogere druk dan het platteland in de Veenkoloniën of in Groningen. Maar de maatschappelijke druk, om het platteland op een bepaalde manier te gebruiken, die is overal gelijk’, vertelt Strijker.

‘Brabant kent relatief veel conflicten in het buitengebied’, vult Rob Denissen aan. ‘De intensieve veehouderij, een ontwikkeling die zich elders in Nederland niet heeft gemanifesteerd, leidt hier tot mestvraagstukken, stankproblemen, wrijving met omwonenden, maar ook tot verstening aangezien het voor veel meer gebouwen heeft gezorgd. Daarnaast hanteert de provincie Noord-Brabant een stimuleringsbeleid om allerlei nieuwe typen activiteiten te ontplooien in leegstaande boerderijen, wat tot een ander landschap leidt.’

Rob Denissen (l) en Dirk Strijker (r). Foto: Pim Geerts

Deelmarkten op het platteland

Naast de agrarische sector en de organisaties op het gebied van natuurontwikkeling en -bescherming is er ook een scala aan kleinere actoren dat vorm geeft aan het platteland. Zo legt de toeristische sector beslag op het buitengebied, maar ook infrastructurele projecten en stads- en dorpsuitbreidingen worden hier geprojecteerd. ‘De belangrijkste prikkels voor het veranderende boerenland liggen buiten het platteland zelf’, licht Rob Denissen toe. ‘Denk aan innovatie in productieprocessen, marktwerking, ketenintegratie of regelgeving. Toen het melkquotum werd afgeschaft, leek het alsof ik slechts twee keuzes had: meegaan met de schaalvergroting zodat je goedkoop kon produceren of verdwijnen.’

Denissen besloot een andere afslag te nemen. ‘Tijdens de Dutch Design Week, bij het onderdeel Agri meets Design, ben ik in aanraking gekomen met ontwerpers. Zij lieten me zien dat ik veel meer waarde op mijn boerderij heb dan enkel de melkproductie. Zij hebben een voorstel uitgewerkt om deze waarde te benutten, door in te zetten op verbreding van mijn bedrijf. Met dit plan wist ik mijn traditionele melkveehouderij te transformeren naar een circulair bedrijf waar melk, zuivel, vlees, tuin- en akkerbouwproducten in een gesloten kringloop geproduceerd worden en waar ruimte is om te werken, leren, ontdekken en wroeten. Het speelt ook mee dat ik bedrijfseconomisch zo meer kan differentiëren en minder afhankelijk ben van één sector.’

Dirk Strijker herkent deze beweging. ‘In toenemende mate realiseren coöperaties, toeleveranciers en boeren zich dat er op allerlei niveaus deelmarkten te vinden zijn op het platteland. Elke bedreiging opent immers ook een markt, denk bijvoorbeeld aan biologisch of veganistisch voedsel.’

Van productie naar energielandschap

Kijkend naar de toekomst van het buitengebied zien zowel de hoogleraar als de boer een grote opgave in de energietransitie. ‘De energietransitie gaat het landelijk gebied veranderen’, stelt Strijker. ‘Dat is niet iets waarover ik me zorgen maak, ik zie dat als een natuurlijke dynamiek van het buitengebied.’  

Denissen onderkent dit maar plaatst meteen enkele kanttekeningen. ‘Bij een groot aantal boeren leeft de energietransitie helemaal niet. Zij zijn bezig met overleven. Maar vroeg of laat krijgen we daar allemaal wel mee te maken. Nu al verschijnen er advertenties in vakbladen waarin grond wordt gezocht om zonnepanelen te plaatsen. Wat je vervolgens ziet, is dat een economische berekening in de praktijk leidend is: wat levert het meeste op, gewassen of zonnepanelen? De vraag of het tot een gewenste ruimtelijke kwaliteit leidt, speelt niet. Daarnaast vind ik als boer dat je de vruchtbare landbouwgrond pas voor energieoplossingen mag aanwenden, als de mogelijkheden in stedelijk gebied volledig zijn benut.’

Om met de energietransitie ruimtelijke kwaliteit te verwezenlijken, is beleid noodzakelijk. Strijker gelooft in een regierol voor de overheid. ‘Ruimtelijke kwaliteit ontstaat niet vanzelf. Daarbij denk ik niet dat de overheid een blauwdruk moet maken voor het inpassen van het energievraagstuk in het landschap. Maar ik geloof wel dat je op regionaal schaalniveau doelstellingen kunt meegeven, die dan lokaal ingevuld worden op een manier die het beste past bij dat gebied.’ Hij vervolgt: ‘Met het plaatsen van windmolens in bepaalde configuraties kunnen structuurlijnen in het landschap nadruk krijgen. Zo zou je scheidingen tussen bebouwde en onbebouwde ruimte zichtbaar kunnen maken, maar ook de overgang tussen zand- en veengronden, historische overgangen of waterwegen. Dan voeg je met het inpassen van energieoplossingen een nieuwe betekenis toe aan het landschap.’

Dirk Strijker. Foto: Pim Geerts

Veranderd samenleven

Ook de veranderde manier waarop we samenleven, beïnvloedt de toekomst van het platteland. ‘In veel dorpen en kleine kernen in het buitengebied is de hoeveelheid vrijwilligerswerk en nabuurschap niet veranderd, maar het motief erachter wel.’ Strijker licht toe: ‘Vroeger deed je vrijwilligerswerk vanuit een wederkerigheidsgedachte – vroeg of laat heb je die buren een keer nodig. Nu doen mensen mee aan het verenigingsleven op basis van hun eigen individuele interesses. De mensen die zich met het landschap bezig houden, organiseren boomsnoeidagen of weidevogeltellingen, maar ze komen niet naar de toneeluitvoering – dat is het domein van weer een andere groep. Voorheen resulteerde dit in een gemeenschap die in gezamenlijkheid besloot hoe ze met het buitengebied omging. Nu is dit uiteengevallen in verzuilde pijlers. Hierdoor ontbreekt het aan kracht om tot een gedeeld standpunt te komen hoe we met het buitengebied willen omgaan.’

Het karakter van een gebied is een sterke troef om daar verandering in te brengen. ‘De identiteit van een gebied blijkt een belangrijke vestigingsfactor,’ zegt Strijker. ‘Mensen kiezen in toenemende mate voor een plek waar ze iets mee hebben. Het verhaal van zo’n plek is van belang; mensen kunnen dan beter wortelen en sneller lokaal actief zijn. Er ontstaat een gehechtheid aan die plek, wat het gezamenlijk vormgeven van het ommeland positief beïnvloedt.’ Ook Denissen onderkent het belang van het inzetten van de identiteit van een plek. ‘Ik zoek naar een sterke verwevenheid met mijn omgeving, dat is mijn license to produce. Dat maakt mijn toekomst mogelijk.’

Blijvend vraagstuk

De transitie van het platteland is geen nieuwe opgave. Boerin en woordvoerster van het kritisch Landbouwberaad Corrie Vogelaar verwoordde het al scherp in 1988: ‘Het platteland wordt steeds minder het domein van de boeren. De export en agro-industrie maken van het boerenland een gebied dat wordt herverkaveld in bedrijven van honderd hectare of meer. De boeren die overblijven worden bedrijfsleiders, die enkel de melkrobots dirigeren en dansen naar de pijpen van de biotechnologie. De andere boeren zullen ermee stoppen en met lede ogen aanzien hoe het platteland verpaupert.’ Ze had een vooruitziende blik. De transformatie van het buitengebied is nog steeds een urgent vraagstuk.

—                                                                        

Tweegesprek tussen:

Dirk Strijker – Hoogleraar Plattelandsontwikkeling, Rijksuniversiteit Groningen

Rob Denissen – Melkveehouder, Piet van Meintjeshoeve

Gespreksleiding:

Ton Cornelissen – P2 Advies | Strategie | Ontwikkeling

—