Die karakteristieke wederopbouwperiode…

De wederopbouwperiode. De tijd dat oorlogsschade werd hersteld. Met een tekort aan materialen en een overschot aan energie. Nooit is er in korte tijd meer gebouwd dan in dit tijdperk. Het was een periode van oorlogsschade en herstel, massawoningbouw en de systeemsprong in het agrarisch landgebruik, automobiliteit en massatoerisme, verzuiling en Koude oorlog, de Watersnoodramp en mede in reactie daarop de eerste Deltawerken. Bij ontwerp en inrichting van stedelijke en agrarische gebieden na de oorlog stonden standaardisering van het bouwproces, functiescheiding en een sterk geloof in maakbaarheid hoog in het vaandel.

Tot voor kort was de belangstelling voor de architectuur, ruimtelijke inrichting en kunst uit de periode 1940-1965 niet erg hoog geweest. Sloop of respectloos verbouwen waren het gevolg. Terwijl tegelijkertijd, en bijna zonder uitzondering, deze gebieden op dit moment voor grotere of kleinere transformatieopgaven staan. Hier liggen een grote kansen die vragen om te kiezen voor karakter. Maar hoe doe je dat?

Een selectie van dertig gebieden

Voor we antwoord geven op die vraag, is het goed om een representatief beeld te krijgen van de reconstructie, stedenbouw en plattelandsontwikkeling van Nederland na de oorlog. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een selectie gemaakt van dertig wederopbouwgebieden om zo bijzondere aandacht te generen voor de ruimtelijke ontwikkelingen in de periode 1940-1965. Ze zijn onderverdeel in 3 typen: de ‘echte’ binnenstedelijke wederopbouwgebieden, de naoorlogse uitbreidingsgebieden en de landinrichtings- of ruilverkavelingsgebieden. Stuk voor stuk gebieden die karakteristiek zijn voor toen en samen een staalkaart van die periode vormen. De ruimtelijke ontwikkelingen die plaatsvonden in die turbulente periode van onze geschiedenis, hebben het karakter van Nederland behoorlijk veranderd. Dat maakt dat deze architectuur, stedenbouw en landschapsontwikkeling – hoewel nog maar relatief jong – al echt van een andere tijd zijn, wat ze als cultuurhistorisch fenomeen bijzonder interessant maakt.

Binnenstedelijke wederopbouwgebieden

In steden en dorpen werd herstel van oorlogsschade aangegrepen als kans om verkrotting aan te pakken. Veel gemeenten wilden een centrum met meer winkels, maatschappelijke functies en zakelijke bedrijven, en dus minder woningen. In Rotterdam en Nijmegen werd slechts 10 tot 15% van de woningen in de binnenstad hersteld. De kleinere gemeenten wilden meestal een reconstructie van de vooroorlogse situatie. Meer dan aanpassingen om de verkeerssituatie te verbeteren hoefde niet. Dat was in de grotere steden anders, daar koos men vaak voor een modernere invulling.

Ruilverkavelingsgebieden

De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog waren voor de geschiedenis van ons platteland dynamische jaren, en speelden een belangrijke rol in de wederopbouw. Schade als gevolg van de oorlog en de Watersnoodramp in 1953 werd hersteld. Om de agrarische productie te verbeteren, werd met behulp van de ruilverkavelingswet op grote schaal versnipperde landbouwgrond heringedeeld tot grote kavels. Het trauma van de hongerwinter was groot, iedereen moest voortaan altijd voor een redelijke prijs voldoende eten hebben. De wens van vóór de oorlog – modernisering van het platteland – kwam weer tot volle bloei.

Drijvende kracht achter de hervormingen was Sicco Mansholt, boer, verzetsstrijder en (socialistisch) intellectueel, minister van Landbouw tussen 1945 -1958 en tot 1973 landbouwcommissaris bij de Europese Commissie. Mansholt schiep faciliteiten waarmee de kleintjes zich door sterkere boeren konden laten uitkopen. Deze ‘grote jongens’ konden tegelijkertijd hun productieprocessen moderniseren. Minder bedrijven, meer productie was het devies.

In 1954 vond een belangrijke wijziging op de wet plaats. In deze nieuwe ruilverkavelingswet stonden niet alleen de belangen van agrariërs centraal, maar werden ook andere functies, zoals infrastructuur, recreatie, ontgronding streekverbetering en natuur- en cultuurwaarden hoog op de agenda gezet. Voortaan moest een landschapsplan deel uitmaken van elk ontwerp voor ruilverkaveling of herinrichting.

Naoorlogse uitbreidingsgebieden

De naoorlogse stedenbouw is sterk gebaseerd op de wijkgedachte; het stichten van een stedelijke gemeenschap van beperkte omvang. Terwijl in de traditionele, vooroorlogse stedenbouw de ruimte hoofdzakelijk werd bepaald door gesloten bouwblokken, is in de naoorlogse wijk meestal een open bebouwing. Licht, lucht en ruimte was het motto. De focus bij het ontwerpen lag niet op de bebouwing, maar op de ruimte ertussen. Particuliere, gemeenschappelijke en openbare ruimten liepen naadloos in elkaar over. Rijtjeswoningen en gestapelde meergezinswoningen – de flat – zijn veel gezien.

De manier van inrichten van de ruimte wordt verschillend gewaardeerd, van harmonieus tot saai of eentonig. Hoe dan ook is het opdrachtgeverschap kenmerkend. Voor de oorlog lag dit vaak in particuliere handen. Nu het rijk aan het roer was komen te staan, werd de woningbouw planmatiger. Deze planmatige aanpak heeft ervoor gezorgd dat Nederland zeer ontwikkeld is in de stedenbouwkundige discipline.