Cultuurhistorie bij wateropgaven in stand houden, inpassen en transformeren

Waterveiligheidsprojecten zijn altijd maatwerk. Waterveiligheidsprojecten waarbij gebruik gemaakt wordt van cultuurhistorie zijn daar geen uitzondering op. Wel zijn er drie strategieën om bij wateropgaven cultuurhistorie in te zetten: in stand houden, inpassen en transformeren. Wie voor een (cultuurhistorische) opgave staat waar de waterveiligheid mee gemoeid is, doet er goed aan het project eerst langs deze strategieën te leggen, om zo de beste aanpak te kiezen.

Zee en kust

De meeste zandwinning, nodig voor waterstaatkundige werken en suppletie, vindt plaats op Rijkswateren als de Noordzee en de Waddenzee. Gebieden die ooit land waren en een rijkdom aan archeologische sporen van onze vroegste geschiedenis bevatten, en die we willen behouden voor volgende generaties. Op digitaal beschikbare, cultuurhistorische kaarten is af te lezen waar de zeebodem gaaf is of verstoord, en waar zandwinning wel en niet mag plaatsvinden om deze archeologische sporen in stand te houden.

Aan de kust van deze Rijkswateren is het de afwisseling tussen duinen, dammen, dijken en strandopgangen die kenmerkend is. Door deze structuren in te passen bij de inrichting van de waterveiligheid, wordt de belevingswaarde versterkt en blijft de kust herkenbaar.

Soms is transformeren de meest passende strategie. Om Nederland waterveilig te houden, zijn ingrepen aan de kust noodzakelijk. Het is mogelijk om met oog voor de Hollandse traditie een nieuwe kust te ontwerpen. Sommige iconische waterwerken, zoals de Deltawerken, kunnen met ruimte voor technologische innovatie zorgen voor droge voeten, en tegelijkertijd de identiteit van de kust in stand houden.

Rivieren

Veel dijken langs rivieren zijn eeuwenoud en vertellen een eigen verhaal. Dijken die vandaag de dag geen waterkerende functie meer hebben – omdat het water is omgezet in land – kunnen met een nieuwe functie in stand worden gehouden, waardoor ze de identiteit en karakteristiek van het gebied versterken. Een voorbeeld hiervan is de Knardijk in Flevoland. Deze dijk lag oorspronkelijk direct aan het water. Vandaag de dag is de dijk de grens tussen Oostelijk en Zuidelijk Flevoland, en is het een markant element in het landschap dat ons herinnert aan de tijd dat de Zuiderzee er nog was.

Langs de kades van menig stad en dorp is de oude relatie met rivieren goed zichtbaar. Wanneer er op die plek ruimtelijke aanpassingen nodig zijn, levert het uitvoeren van een cultuurhistorisch onderzoek nieuwe inspiratie en invalshoeken voor het ontwerp. Zo kan een ontwerp om de waterveiligheid in de stad te vergroten op een aantrekkelijke manier ingepast worden in de cultuurhistorie.

Het rivierenlandschap verandert, net als vele landschappen in Nederland, voortdurend, maar de mate waarin verschilt. Transformatie van rivieren kan makkelijker plaatsvinden in een gebied dat al eerder drastisch is getransformeerd, de zogenaamde snelle landschappen.

Grote wateren

Voor grote wateren zit de cultuurhistorie vaak verankerd in de combinatie met bijvoorbeeld dijken, historische steden, polders en scheepswrakken. Soms is de aanwezigheid zo rijkelijk, dat het niet alleen iets is om rekening mee te houden bij ontwerpopgaven, maar is het in stand houden van deze cultuurhistorie ook een belangrijke drager voor de ontwikkeling van het gebied.

Bij peilveranderingen en aanleg van nieuwe waterfronten kunnen ingrepen zo gedaan worden, dat ze ingepast worden bij de cultuurhistorische en landschappelijke context. Een voorbeeld daarvan is de aanleg van flexibele keringen.

Wanneer gebieden getransformeerd worden, bijvoorbeeld een polder die onder water wordt gezet of het aanleggen van eilanden, kunnen we veel leren van het verleden. De aanleg van nieuwe eilanden kan bijvoorbeeld plaatsvinden op plekken waar in het verleden aanwas is geweest. Dat maakt de ingreep eenvoudiger, en er is minder grondverzet nodig.

Bijlagen: